Aantal levensbeëindigingen zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt daalt

11-07-2013

Dutch text only

Bij kankerpatiënten neemt het aantal euthanasiegevallen sterk toe, terwijl het aantal levensbeëindigingen zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt evenredig afneemt. Dat blijkt uit een studie van onderzoekers Koen Pardon en professor Luc Deliens van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde van de VUB en de UGent, onlangs verschenen in het vaktijdschrift Journal of Clinical Oncology. De onderzoeksperiode besloeg 1998 tot 2007.

In 2007 voerde de onderzoeksgroep Zorg Rond het Levenseinde een studie uit naar levenseindebeslissingen in Vlaanderen bij patiënten met en zonder kanker waarvan het overlijden niet onverwacht was. Op basis van door hen ondertekende overlijdenscertificaten ontving een selectie van artsen een vragenlijst waarin hen werd verzocht om de medische beslissingen, het beslissingsproces en de ontvangen zorg aan het levenseinde van de patiënt in kaart te brengen.

Uit het onderzoek blijkt dat medische beslissingen met een mogelijk levensverkortend effect vaker voorkomen bij kankerpatiënten dan bij niet-kankerpatiënten. Zo ging er in geval van een niet-plots overlijden bij 80% van de kankerpatiënten een dergelijke levenseindebeslissing aan vooraf, ten opzichte van 65% bij niet-kankerpatiënten. Voor het stopzetten of niet opstarten van behandelingen en levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt werd geen significant verschil gevonden tussen beide groepen. Het opdrijven van de symptoombestrijding met mogelijks levensverkortend effect kwam evenwel veel vaker voor bij kankerpatiënten dan bij niet-kankerpatiënten (53,8% tegenover 31,7%), net als euthanasie (6,8% tegenover 0,9%). Een mogelijke verklaring hiervoor vinden we in het ziekteverloop van kanker: veel patiënten ervaren hevige pijn en een hoge symptoomlast, terwijl ze hun mentale capaciteiten behouden tot laat in het ziekteproces. Hierdoor komen ze ook meer dan andere patiënten in aanmerking voor euthanasie. De vraag rijst echter of kankerpatiënten een betere toegang hebben tot pijn- en symptoombestrijding en euthanasie omdat palliatieve zorg ontwikkeld werd binnen de context van kanker.

Een andere opmerkelijke bevinding was dat kankerpatiënten en hun families vaak minder betrokken werden in het beslissingsproces dan niet-kankerpatiënten en hun families. In geval van kanker werd overlegd met de patiënt in 69,7% van de gevallen, bij andere aandoeningen bedroeg dit percentage 83,5%. Het feit dat het opvoeren van pijnmedicatie een standaardpraktijk geworden is bij kankerpatiënten, waardoor artsen minder de nood voelen om dit te bespreken met de patiënt, vormt een mogelijke oorzaak voor dit verschil.

Euthanasie werd in 2007 voornamelijk uitgevoerd bij kankerpatiënten. 6,8 % van alle niet-plotse overlijdens ten gevolge van kanker was het resultaat van euthanasie, ten opzichte van 0,9% bij patiënten met andere aandoeningen. In 1998 was dit percentage veel lager (2,3%) en was er geen duidelijk verschil merkbaar tussen patiënten met en zonder kanker. Opvallend is dat de toename van euthanasie gepaard ging met een afname van levensbeëindigende handelingen zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Dit kunnen twee van elkaar onafhankelijke trends zijn, maar mogelijk heeft de legalisatie van euthanasie en de toegenomen beschikbaarheid van palliatieve zorg ertoe geleid dat ongereguleerde handelingen vervangen werden door een gereguleerd, door de patiënt geïnitieerd en door de arts uitgevoerd, overlijden.

Referentie:

Pardon K, Chambaere K, Pasman HR, Deschepper R, Rietjens J, Deliens L. Trends in end-of-life decision making in patients with and without cancer. J Clin Oncol. 2013 Apr 10;31(11):1450-7.

 

 
Share this
Deel dit bericht